De koala is een van de bekendste en populairste buideldieren. Hij ziet er
heel lief uit, maar toch is de populatie door toedoen van de mens sterk afgenomen.
Hij leeft in eucalyptusbossen van Queensland, Zuid-Australië, New South Wales
en Victoria.
De koala zit bijna zijn hele leven in eucalyptus-bomen. Hij heeft scherpe klauwen
om in bomen te klimmen. Hij is 's nachts actief. Overdag slaapt hij meestal
in de oksel van een tak. 's nachts eet hij eucaluptusbladeren in de hoogste
toppen van de boom. Er zijn wel 300 soorten eucalyptusbomen in Australië, maar
van slechts 20 soorten eet hij de bladeren. Hij eet alleen de oudere bladeren,
want jonge bladeren bevatten te veel blauwzuur. Voor andere dieren zijn deze
bladeren giftig, maar de koala heeft een goed spijsverterinssysteem. Door de
geur van muskus en eucalyptus blijven parasieten zelfs van hem af. Hij heeft
wangzakken om voedsel op te slaan. Hij eet gemiddeld 500 gram tot 1 kg per dag.
Daardoor ontstaat er al al gauw een te kort aan voedsel voor koala's. De koala
drinkt nooit omdat hij uit zijn voedsel al genoeg vocht haalt. Het woord koala
betekent dan ook in de taal van de aboriginals 'geen water'.
Vroeger kwam de koala overal in Australië voor, maar door de mens is het aantal
sterk afgenomen. Bossen maakten plaats voor landbouw en zo raakte de koala zijn
leefgebied kwijt. Ook nam het aantal af door pelshandel: in 1924 werden meer
dan 2 miljoen koala's gedood. Daardoor was de koala bijna uitgestorven. Nu is
de koala een beschermd diersoort. In Victoria en Queensland zijn nu grote reservaten
voor de koala. Toch sterven juist in reservaten veel koala's: ze worden per
ongeluk overreden door toeristen. De koala wordt ook weer ingevoerd in Zuid-Australië.
Koala's planten zich tussen december en maart voort. Na 35 dagen wordt het jong
geboren, dat bij de geboorte slechts 0,3 gram weegt en nog kleiner is dan een
boon. Ook is hij blind en naakt en zijn achterpoten zijn nog nauwelijks ontwikkeld.
De buidel heeft een opening naar achteren. Het jong bereikt de buidel door een
speekselspoor te volgen die de moeder op haar buik heeft gelikt. De eerste zes
maanden blijft het jong in de buidel en drinkt hij melk. Alleen de laatste maand
eet hij wat anders: verteerd voedsel uit de darm van zijn moeder. Na zes maanden
klimt hij op de rug van zijn moeder.Na nog eens drie maanden is hij volgroeid
en kan hij zelf op zoek naar voedsel gaan. Tot de volgende paartijd blijft hij
bij zijn moeder. Een mannetje is na 3 tot 4 jaar geslachtsrijp, een vrouwtje
na 2 tot 3 jaar.
Het mannetje is 67,4 tot 82,0 cm lang en weegt 4,2 tot 14,9 kg. Het vrouwtje
is 64,8 tot 73,0 cm lang en weegt 4,1 tot 11,0 kg.